Copy
 
nummer 37 | november 2019  
 
 

Nieuwsbrief: Een netwerk in beweging, verslag van het symposium van 1 november 2019

 
 
 
 
 

Inhoud

In deze nieuwsbrief wordt verslag gedaan van het jaarlijkse symposium geboortezorg, dat op vrijdag 1 november jl plaatsvond in Groningen. Er waren ongeveer 85 bezoekers en de sfeer was geanimeerd.
 

De dag werd ingeleid door Linda Quadvlieg, verloskundige in Groningen. In het ochtendprogramma ging kinderarts Nynke Kuindersma in op de negatieve omstandigheden voor het (ongeboren) kind. Vervolgens kwam Sjaak Wijma van het Zorginstituut aan het woord over de organisatie van zorg in de regio en het belang van de context. Tot slot vertelde Jan Jaap Erwich, voorzitter van het consortium ZeGNN over de ontwikkelingen in de afgelopen periode en de plannen voor de toekomst. Na een geanimeerde lunch, waarin veel onderling gesproken werd, kon men in het middaggedeelte deelnemen aan 2 workshoprondes over uiteenlopende onderwerpen. Aan het eind van de dag kon men napraten met een drankje. 

 
 
 
 
 

Een netwerk in beweging
 

Dagvoorzitter Linda Quadvlieg opende de dag met een korte inleiding, waarin zij inging op enkele regionale en landelijke ondersteuningsstructuren. 
 

Linda Quadvlieg is eerstelijns verloskundige bij de VSP in Groningen en zij is actief betrokken bij het VSV Stad en Ommelanden. In haar inleiding liet zij enkele plaatjes zien van regionale netwerken, waarbij zij de zaal vroeg of men wist welk netwerk het was. Vervolgens vertelde zij kort iets over het netwerk. Het netwerk van ROSsen, consortia en de Federatie van VSV's kwamen zo aan de beurt.

Via mentimeter stelde Linda o.a. vragen aan de zaal over beroepsgroep en de verwachtingen van de deelnemers van deze dag. Hieruit bleek dat ook dit jaar het symposium werd bezocht door veel verloskundigen. Men kwam voor informatie, inspiratie en netwerken. Ook dit is vergelijkbaar. Deelnemers aan het symposium waren afkomstig vanuit alle VSV’s. Een groot aantal mensen was niet aan 1 specifiek VSV gebonden.

 

 



Bij welk VSV ben je aangesloten?

VSV Assen





4
VSV SHE 11
VSV Stad en Ommeland  5
VSV Martini 9
Ommelander VSV 7
VSV Rondom zwangerschap 5
VSV Heerenveen 2
VSV Drachten 4
VSV Sneek 5
Niet gebonden aan 1 VSV 27



 
 
 
 

Negatieve omstandigheden voor het (ongeboren) kind

Negatieve omstandigheden voor het (ongeboren) kind: wat kan ik daarmee? door Nynke Kuindersma, kinderarts en fellow sociale pediatrie bij UMCG en OCRN kinder- en jeugd GGZ 

Nynke Kuindersma is kinderarts en in opleiding tot sociaal pediater. Zij heeft in haar werk te maken met kinderen die in het ziekenhuis komen en bij de GGZ. In haar verhaal ging Nynke in op de negatieve omstandigheden waar sommige kinderen in opgroeien. Om de verbinding binnen haar werk te laten zien, heeft Nynke een soort logo ontworpen, waarin staat voor wie zij werkt, waarom, wat gedaan kan worden, wat jouw rol als zorgverlener is en dat het belangrijk is om samen te werken.




Voor wie doen we dit nu eigenlijk? Dit werd duidelijk gemaakt met behulp van een fragment van de film Removed
In haar verhaal ging Nynke vervolgens in op het waarom. Zij vertelde over de studie van Vincent Felitti en Robert Anda (1995) naar de lange termijn gevolgen van kindermishandeling. In deze ACE- studie wordt gekeken wat de correlatie is tussen negatieve ervaringen in de jeugd en gezondheidsrisico's op lange termijn. ACE staat voor Adverse Childhood Experience oftewel jeugdtrauma’s. Deze ACE’s of jeugdtrauma’s zijn onderverdeeld in zeven categorieën, onder meer fysieke en emotionele mishandeling, verwaarlozing, opgroeien met een verslaafde ouder en geweld in het gezin. Het onderzoek heeft aangetoond dat er een significante relatie bestaat tussen het aantal jeugdtrauma’s en de kans op bepaalde ziekten op volwassen leeftijd. Jeugdtrauma’s geven met andere woorden een verhoogde kans op ziekmakend gedrag, dat op zijn beurt kan leiden tot ziekten als kanker, hart- en vaatziekten en depressies.
Deze kinderen maken allemaal kleine of grotere trauma’s achter elkaar mee. Dit leidt ertoe dat het lichaam voortdurend in een toestand van toxische stress is. Voor het kind is het belangrijk dat er een ouder is die beschikbaar is. Daarom is het belangrijk om kwetsbare zwangeren al vroeg op te sporen. Vaak zijn er al risicofactoren voor de geboorte aanwezig. In een gezinssituatie zijn er risicofactoren, maar er zijn ook beschermende factoren.

 

 




In de praktijk kunnen de risicofactoren lastige thema’s zijn om onder ogen te zien voor zowel de (aanstaande) ouders als de hulpverlener. Laat staan om het gesprek erover aan te gaan. Wat kun je zelf doen in de signalering, in gesprek met ouders en wanneer moet je denken aan een melding bij Veilig Thuis?

Wat doen we? Jaarlijks worden in Nederland ca. 100.000 kinderen blootgesteld aan een vorm van kindermishandeling. Dit aantal neemt niet af en ongeveer tweederde van deze kinderen krijgt geen hulp. Dit is o.a. aanleiding geweest voor het wijzigen van de meldcode huiselijk geweld.  Het is belangrijk om de nieuwe meldcode van de eigen beroepsgroep goed door te nemen.

Wat doe ik?
Erkenning van het probleem is belangrijk. Break the cycle. Uit angst voor een klacht houdt men nog wel eens de mond dicht. Voor zorgverleners is het van belang af en toe even stil te staan, maar dan wel met de kop boven de grond.

Ook is het belangrijk om samen te werken. In samenwerking heb je verschillende types nodig.

Na het verhaal van Nynke was het mogelijk vragen te stellen:

Een vraag vanuit de zaal was waar de sleutel ligt voor het doorbreken van de intergenerationele problematiek. Nynke gaf aan dat het signaleren en in gesprek gaan belangrijk is. Het stabiliseren van de ouder en het later ook van het kind.
Is het bekend wat bepaalde interventies opleveren? Nynke noemde onderzoek van Verwey en Jonker, maar gaf aan dat de opbrengsten van nieuwere interventies vaak nog onbekend zijn.
Wat kun je doen in het onderwijs? Kinderen bewust maken.
In hoeverre is de angst van hulpverleners om te melden terecht?
erkenning is heel belangrijk. 
Centering Pregnancy biedt mogelijkheden voor het bespreekbaar maken van de problematiek. 

 

 



 

 
 
 
 
 

Organisatie van zorg in de regio; het belang van de context

Organisatie van zorg in de regio; het belang van de context door Sjaak Wijma, voorzitter van de Raad van Bestuur van het Zorginstituut Nederland
 

Sjaak Wijma is opgegroeid en opgeleid in het noorden van het land. Hij heeft 24 jaar gewerkt als gynaecoloog in Martini en is in 2016 overgestapt naar het Zorginstituut. Zijn eerste dossier bij ZIN betrof de kwaliteitsstandaard integrale geboortezorg. In zijn verhaal ging Sjaak in op het Zorginstituut, de Zorgstandaard integrale geboortezorg, signalen uit de regio en de visie op kwaliteit in de regio. Tot slot was er nog wat tijd over om met de zaal in gesprek te gaan aan de hand van stellingen.
Inwoners van Nederland hebben recht op gezondheidszorg. De politiek bepaalt hoeveel geld er naar de zorg gaat. Zorgverleners, patiënten en zorgverzekeraars wegen samen af wat juiste zorg is binnen de eisen die wettelijk zijn vastgelegd. Als de partijen er niet uitkomen, zorgt het Zorginstituut dat er een besluit wordt genomen. Zij gebruikt dan haar doorzettingsmacht. Het zorginstituut toetst de zorg aan kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid.
De gezondheidszorg kost gemiddeld 6000 euro per inwoner in Nederland. Het zorginstituut compenseert de zorgverzekeraars voor de tekorten.
De toegankelijkheid van de zorg komt steeds meer onder druk te staan, o.a. door de sluiting van ziekenhuizen. Hoe kunnen we de bereikbaarheid en beschikbaarheid van zorg en zorgverleners in stand houden? Samenwerking in het netwerk is van groot belang, bij uitstek ook in de acute geboortezorg. Dit is niet afdwingbaar.
Binnen het zorginstituut is een kwaliteitsraad. De visie van deze kwaliteitsraad op kwaliteit in de regio is dat landelijke kwaliteitsstandaarden weliswaar het uitgangspunt zijn, maar dat deze in de ene regio anders kunnen uitpakken dan in de andere regio. Er is sprake van regionale verschillen in de beschikbaarheid van personeel, reisafstanden en bevolkingssamenstelling. Er is een zekere spanning tussen de landelijke kwaliteitseisen en de regionale toegankelijkheid tot zorg. Het is belangrijk de samenwerking te zoeken.

Wat vindt de zaal van de zorgstandaard? Opgemerkt wordt dat we al veel doen en dat er meer geld nodig is.  

Over de inhoud van de zorgstandaard zei Sjaak dat hij vindt dat de geboortezorg nog erg aanbodgericht is. Waar zitten verbeterpunten? De zorgstandaard zal naar verwachting in 2020 geëvalueerd worden.

 

 




Signalen vanuit de regio zijn o.a.

  • Als ik een thuisbevalling doe voel ik mij onzeker of ik wel snel genoeg het ziekenhuis kan bereiken als het nodig is
  • Als ziekenhuis weet ik niet wat er in mijn directe omgeving bevalt, ik kan niet anticiperen
  • We hebben te weinig zorgprofessionals voor het werk dat we moeten doen, we kunnen de dienstroosters niet vullen en moeten verloskamers, kinderbedjes etc sluiten
  • Cliënten in deze regio durven niet meer te kiezen voor een thuisbevalling omdat ze bang zijn het ziekenhuis niet op tijd te bereiken.

Adviezen van de kwaliteitsraad zijn:

  • Bevorder het loskomen van oude patronen
  • Stimuleer het samen leren en verbeteren
  • Maak ruimte in de kwaliteitskaders voor regionale invulling
  • Hou rekening met verschillende vormen van regionale samenwerkingsverbanden
  • Neem de behoefte van patiënten als vertrekpunt
  • Stuur op een samen-hangend zorgaanbod.

In de discussie met de zaal kwam de volgende stelling aan bod:  “In onze regio nemen we de behoefte van de patiënt als vertrekpunt”. Reactie van de zaal was dat men dit zeker probeert, maar dat de regio heel groot is en de belangen van zorgverleners vaak nog te verschillend zijn. De zorgstandaard is hierin duidelijk, maar het is een hele klus om het te implementeren. De behoefte van de patiënt als vertrekpunt nemen staat haaks op het werken met protocollen, aldus iemand in de zaal. De protocollen waren nodig om de sterfte terug te dringen. Wat zijn precies de behoeften van de patiënt, gaan we het gesprek eigenlijk wel aan.
Een tweede stelling die besproken wordt is: “In onze regio wordt actief samen geleerd en verbeterd”. In Groningen is een werkgroep Kansrijke Start actief, die elke maand vergadert en waarbij de hele keten aanwezig is. Het helpt de cliënt. Deelnemers aan het overleg leren veel van elkaar.

Tot slot vraagt Sjaak welke boodschap hij vanuit het noorden mee moet nemen naar Den Haag. Antwoord dat hierop gegeven wordt is dat we in Nederland verplicht zijn om iedereen een goede gezondheidszorg te bieden. Kijk meer naar preventie.

 
 
 
 
 

Terugblik op 2019 en vooruitblik op de toekomst van het consortium

Terugblik op  2019 en vooruitblik op de toekomst van het consortium door Jan Jaap Erwich, voorzitter van het consortium.
 

Jan Jaap Erwich is hoogleraar verloskunde bij het UMCG en voorzitter van de stuurgroep van het consortium ZeGNN. In zijn presentatie ging Jan Jaap in op het belang van de regio’s en de rol van de consortia daarin. Hij begon zijn verhaal met de opmerking dat hij zich zorgen maakt. Het gaat weliswaar beter in de geboortezorg dan 10 jaar geleden, maar het kan beter. Zo worden de verbeterpunten die uit de audits komen lang niet meer allemaal opgepakt en ingevoerd. Maar ook de sterfte gaat niet verder terug. En er is nog steeds vermijdbare sterfte. Calamiteiten vinden veelal plaats als gevolg van overbelasting, de overdracht gaat te snel of verloopt slordig. De regionale auditstructuur is belangrijk.
Internationaal gezien hebben we de afgelopen 5 jaar de grootste daling  van sterfte laten zien. De perinatale sterfte blijft echter gelijk. Het is niet duidelijk hoe dat komt.
In  2013 is het consortium ZeGNN op gericht. In diezelfde tijd werden ook elders in het land consortia opgericht en ontstond er een dekkend netwerk van consortia. Doel was de oprichting en verankering van een kennisinfrastructuur met een gelijkwaardige bijdrage van wetenschap, onderwijs en verloskundige keten/praktijk. Uiteindelijk doel verbetering van de kwaliteit en verbetering van de interprofessionele samenwerking en verlaging van de perinatale sterfte.

De opbrengsten van de consortia tot nu toe zijn:
* de infrastructuur:

  • regionale kennisplatforms voor onderzoek en kennisontwikkeling
  • netwerk: samenwerking, elkaar weten te vinden, uitwisselen van kennis
  • nieuwsbrieven, websites, minisymposia en regiobijeenkomsten
  • cliëntenpanels
  • publicaties en promoties
  • inbedding van nieuwe en bestaande kennis en producten in onderwijs, praktijk, vervolgonderzoek en soms ook al in gemeentelijk beleid. 

* concrete, in de praktijk toepasbare producten.

Hoe ziet de samenwerking/link tussen VSV’s en consortia eruit? Landelijk is er de nodige variatie tussen consortia: consortia geven hun eigen invulling aan hun programma en niet alles wordt door alle consortia gedaan. Veelal is er (minimaal) een aanspreekpunt in een VSV, maar vaak ook participatie van VSV in werkgroepen, adviesraad  of stuurgroep. De VSV’s vormen de  linking pin met praktijk en achterban.
 

 

De consortia werken aan gezamenlijke kennisontwikkeling. Deze kennis kan gebruikt worden ten behoeve van de regio, ter ondersteuning van de regio. De consortia zorgen voor ondersteuning van de VSV’s met kennis en producten over actuele vraagstukken, zoals implementatie zorgstandaard. Zij zorgen voor verbinding tussen VSV’s in en ook buiten de regio (niet persezelf het wiel uit vinden). Daarbij is input vanuit VSV’s nodig om als consortia te kunnen anticiperen op vraagstukken in de regio.

Binnen het consortium ZeGNN is een db en een stuurgroep actief. In de stuurgroep zitten vertegenwoordigers vanuit de gehele geboortezorgketen, verdeeld over het werkgebied. Daarnaast is er een klankbordgroep van VSV’s, waarin alle VSV’s vertegenwoordigd zijn. Vanuit het consortium worden de volgende activiteiten uitgevoerd (ProKind2):

  • Er is een actieve werkgroep dataregistratie, die begin 2019 een proef met het uitvragen van cliëntervaringen organiseerde en op korte termijn een benchmark- bijeenkomst organiseert voor alle VSV’s.
  • Er is een werkgroep cliëntenparticipatie, van waaruit o.a. ondersteuning wordt geboden bij het opzetten van moederraden.
  • Er is een kennisnetwerk waarbinnen een werkgroep onderwijs en een werkgroep onderzoek actief zijn. Binnen de werkgroep onderzoek is het de bedoeling de vragen om medewerking bij diverse onderzoeken meer te stroomlijnen. De werkgroep onderwijs zal zich onder andere bezighouden met het multidisciplinair onderwijs en andere relevante ontwikkelingen binnen het onderwijs.
  • Er is een werkgroep kwetsbare zwangeren.
  • Er is een werkgroep capaciteit i.o.: het aantal verloskundigen is wel voldoende, maar de kindergeneeskunde vormt een bottleneck.
  • Er is een werkgroep die zich bezig houdt met de voortzetting van het consortium in de toekomst. Landelijk doet een bureau in opdracht van ZonMw onderzoek naar de consortia.
  • Tot slot is een aandachtspunt de borging van ACTion in de regio.

Jan Jaap sloot zijn verhaal af met de vraag hoe we dit alles met elkaar gaande kunnen houden.

  • Hij noemde uitdagingen, zoals de CTG-trainingen en de skills&drills trainingen. Het blijkt dat de foetale bewaking durante partu nog steeds niet goed gaat.
  • We hebben het over ketenzorg, dus samenwerking moet zo optimaal mogelijk zijn.
  • Er is steeds meer inspanning nodig voor het bereiken van betere resultaten
  • De zorg staat onder druk
  • Maar iedereen wordt blij van effectieve veranderingen.

Het is belangrijk om zelf de regie te houden. Het consortium helpt en wil de spil zijn en blijven.

 
 
 
 
 
 

Workshop Voeding en gezond gewicht voor, tijdens en na de zwangerschap bij moeder en kind

Door Eline van der Beek, bijzonder hoogleraar Nutritional Programming en Eva Corpeleijn, Universitair Hoofddocent Leefstijl Epidemiologie, Unithoofd ‘Lifestyle Medicine in Obesity and Diabetes’ UMCG.

Eline van der Beek begon haar verhaal met een verwijzing naar onderzoek waaruit blijkt dat in Noord-Nederland 39% van de vrouwen van 30-40 jaar overgewicht heeft (2017). Landelijk is dat ongeveer 25-30%.
Aandacht voor de kinderen van moeders met zwangerschapsdiabetes is belangrijk. Er is een lineair verband. Kinderen van moeders met zwangerschapsdiabetes hebben een sterk verhoogde kans op het ontwikkelen van overgewicht en zwangerschapsdiabetes. Deze kinderen worden met een normaal geboortegewicht geboren, maar ontwikkelen teveel vetweefsel.

 


Zwangerschapsdiabetes is een indicator voor het ontwikkelen van diabetes type 2 op langere termijn.
Lifestyle management van zwangerschapsdiabetes belangrijk. Daarbij gaat het om gecontroleerde koolhydraat- en calorie inname. De effectiviteit van een dieetinterventie tijdens de zwangerschap hangt af van het normale dieet. Het beperken van het totale energie en koolhydraat heeft beperkt effect. Dieet werkt wel maar we weten niet goed hoe we dit moeten implementeren. We gebruiken het potentieel van voeding nog te weinig.
Eva Corpeleijn werkt bij het GEC-KO: Groningen Expert Centre for Kids with Obesity. Eva verwees naar onderzoek in Drenthe onder kinderen geboren in 2005 en 2006, waarbij op 10-11 jarige leeftijd 16,3% overgewicht had, tegenover 13% landelijk. Het is belangrijk om in te zetten op jongere leeftijd dan basisschool. Op jongere leeftijd is het gemakkelijker om gewichtsbehoud te verkrijgen.
Eva wees op het gevaar van zoete drankjes, zoals sappen en yoghurtdrankjes. Het lichaam neemt suiker in drankjes niet waar. Op jongere leeftijd speelt voeding een doorslaggevende rol. Er is geen of nauwelijks verband met lichaamsbeweging. Dit is anders op middelbare schoolleeftijd.
De gezondheidsraad is op zoek naar evidence van dieetadviezen. Eva is lid van de commissie die zich daarmee bezig houdt. Welke adviezen zijn goed, welke niet. Meer informatie hierover is te vinden op de site van de Gezondheidsraad.

 
 
 
 
 

Workshop De meldcode: zijn er do's en don’ts?

Door Nynke Kuindersma. kinderarts, fellow sociale pediatrie, UMCG en OCRN kinder- en jeugd GGZ

Tijdens de workshop werd ingegaan op het werken met de nieuwe meldcode. Augea heeft een animatie gemaakt waarin de verandering van de meldcode wordt toegelicht. Bij 4 ACE’s of meer is er meer kans op gezondheidsrisico. De meldcode biedt de mogelijkheid om de transgenerationele cirkel te doorbreken.
Niet melden is cultureel bepaald. In Nederland heerst een soort extreme angst om mensen ten onrechte te beschuldigen. In andere landen, zoals bijv. Zweden, moet alles worden gemeld.

 

 

Veilig Thuis werkt met vakteams  bestaande uit een psychiater, maatschappelijk werken, psycholoog; deze zijn inschakelbaar via de wijkteams. Er is steeds vaker sprake van 1 casemanager per zwangere. Deze kan een evt. melding ook doen. 

Uitspraken die gedaan werden:
“Mensen die veel zorg nodig hebben gaan juist shoppen”
“Wij verloskundigen zijn een soort halve psychologen”
“Door angst worden we struisvogels”.

Aan de hand van een casus werd vervolgens concreet ingegaan op het werken met de meldcode.  Nynke gaf bij de nabespreking een aantal tips, zoals bedenk wat je nodig hebt om een gesprek aan te gaan en probeer transparant te zijn.

 
 
 
 
 

Workshop Kwetsbare zwangeren: help, wat kan en wil ik daarmee?

Door Catja Warmelink en Relinde van der Stouwe (Midwifery Science Noord-Nederland en Verloskunde Academie Amsterdam-Groningen 

Een deel van de workshop ging over wat er onder kwetsbaar wordt verstaan. Er werd aan de hand van stellingen gesprekken gevoerd over wie de kwetsbare zwanger is en of ze eigenlijk wel kwetsbaar is. Daarna is er een stand van zaken gegeven wat betreft het onderzoek in de regio naar welke interventies er zijn voor kwetsbare zwangeren en welke werken.   

 

 

Workshop Omgaan met baringsangst
 

Door Yvonne Hofman-Kroese, GZ-psycholoog en lid Groninger Psychologen Coöperatie

Aan de hand van concrete vragen van de deelnemers aan deze workshop werd het verhaal opgebouwd. Er werd ingegaan op wat de redenen van angst voor de bevalling zouden kunnen zijn. Ondersteunend was de theorie rondom baringsangst. Daarnaast werden er handvatten aangereikt om het gesprek met de zwangere aan te gaan.  

 
 
 
 
 

Ervaring met concentratie van geboortezorg

Door Ingrid van der Veen, gynaecoloog, en Esther Vastenavond, manager Bedrijfsvoering Vrouw Kind Urologie bij Treant Zorggroep, locatie Emmen

De sprekers nemen de deelnemers mee in de geleerde lessen van concentratie van geboortezorg, zij delen hun ervaringen en bespreken de gevolgen voor de regio. Daarnaast zullen ze in gesprek gaan met de deelnemers over de regionale knelpunten en de te nemen stappen naar mogelijke oplossingen.

Esther gaf uitleg over de aanpak binnen Treant om tot dit besluit te komen.  Er is gekeken naar toekomstbestendige locatiemodellen. Uiteindelijk is voor geboortezorg gekozen voor één locatie. Overige gynaecologie is nog wel op drie locaties gebleven. Een deelnemer merkte op dat meer ziekenhuizen in de regio een tekort hadden aan kinderartsen, ook daar was sprake van een acuut probleem, maar het heeft daar niet geleid tot sluiting. Hoe kan dat? Het management speelt hierin een cruciale rol.

 

 

 

De lessen die geleerd zijn:  veel in gesprek gaan met de stakeholders. Creëer draagvlak.
En als afdelingen samengaan, houd er rekening mee dat er cultuurverschillen zijn. De ene medewerker voegt zich makkelijker dan de ander. Dit is een proces op zich. Dat ook tijd en aandacht vraagt van de medewerkers als de leidinggevenden.
Maak goede afspraken over acute situaties, met het ROAZ. En met ziekenhuizen in de omgeving.
Zo’n besluit heeft veel impact voor het gehele ziekenhuis en de bewoners en zorgprofessionals in de gehele regio. De impact is groter dan vooraf gedacht en de regio die het betreft is ook groter.
Door de deelnemers wordt opgemerkt dat er behoefte is aan een centraal capaciteitsorgaan. Graag gezamenlijk met de  ziekenhuizen, verloskundigen, kraam en ROAZ de verantwoordelijkheid nemen om de ziekenhuizen in de regio, met grote afstanden, overeind te houden.
 

 
 
 
 
 

Aansluiten op de leefwereld van kwetsbare zwangeren (Samen Stoppen, Samen Sterk!) 

Door Lilian Peters, onderzoeker Huisartsgeneeskunde UMCG Midwifery Science, Stella Weiland, promovendus Huisartsgeneeskunde UMCG, Midwifery Science en 3 ervaringsdeskundigen Linda Drent, Riane Kuzee, Selima Renes) in Armoede en Sociale uitsluiting.

 

Tijdens de workshop “Aansluiten op de leefwereld van kwetsbare zwangeren” gingen de deelnemers en drie ervaringsdeskundigen Sterk uit Armoede en Sociale Uitsluiting met behulp van stellingen met elkaar in gesprek om inzicht te krijgen in elkaars leef- en beleefwereld. 
Stella vertelde over haar promotie onderzoek waarbij ze samen met ervaringsdeskundigen thuis interviews afneemt over hun ervaringen met rookstopbegeleiding en roken tijdens de zwangerschap. Vervolgens werden de deelnemers uitgenodigd om te komen staan en prikkelende stellingen te beantwoorden zoals: “Je bent een slechtere moeder als je rookt tijdens de zwangerschap”, “Mensen die in armoede leven hebben hier zelf invloed op”. De drie ervaringsdeskundigeng, Linda, Selima en Riane, reageerden ook op de stellingen en gaven uitleg dover hoe zij verschillende acties van hulpverleners ervaren hebben. Dit leverde een interactie op die regelmatig stil maakted, de verhalen maakten indruk op de deelnemers.

Selima gaf aan dat ze mensen in haar omgeving nodig had die in haar geloofden en die haar kansen boden. Ze heeft uiteindelijk zelf bepaalde keuzes gemaakt die haar uit een vicieuze cirkel van armoede hebben geholpen, maar ze heeft daarvoor ook de opties nodig gehad die een maatschappelijk werker die haar vertrouwde haar geboden heeft.
Een andere stelling was: een verloskundige/gynaecoloog kan een zwangere vrouw die leeft in armoede niet de ondersteuning en het begrip bieden die ze nodig heeft.
Hierop werd gezegd dat hulpverleners enerzijds erg weinig tijd hebben voor een psychosociale begeleiding. Anderzijds werd geopperd dat een vraag: “hoe gaat het met het roken” al heel veel meer doet voor een zwangere dan: “ben je al gestopt”.

 

 

 



Ervaringsdeskundigen gaven aan dat het zou helpen als er geen oordeel zou worden uitgesproken. Je moet elkaar leren kennen en dan kan vertrouwen groeien. De deur werd door een ervaringsdeskundige echter bewust dicht gehouden, uit angst dat de ballen die ze in de lucht probeerde te houden zouden vallen, of uit angst dat de kinderen zouden worden afgenomen. “Ik had de schurft aan hulpverleners”, niemand kon er echt wat aan doen mijn chronische stress doen afnemen”.
Er is gesproken over het belang van overleven, en de keuzes die daarbij horen. De stelling “Mensen die in armoede leven maken verkeerde keuzes” leverde ook veel reacties op. Er werd gezegd dat er weinig alternatieven zijn en de keuzes voor mensen die in armoede leven vaak beperkt zijn. Via de aansporing vanuit de onderzoekers om te durven vragen werden irrationele keuzes zoals wel geld uitgeven voor een pretecho maar niet voor flesvoeding besproken.
Wat duidelijk werd is dat de ervaringsdeskundigen zich te weinig gehoord voelen en dat ze voelen dat hun probleem vaak wordt doorgeschoven van de ene ‘specialist’ naar de andere. Een verloskundige gaf aan dat rookverslaving en armoedeproblematiek niet haar kennisgebied beslaat en dat het niet past binnen het spreekuur om te luisteren naar wat een zwangere nodig heeft. Ze erkende dat ze liever de zwangere verwijst bij problemen naar een WIJ-team. De ALPHA-NL als screeningsmethode werd ook besproken. De ervaringsdeskundigen gaven aan dat ze liever open vragen zouden willen hebben, dat er echt stil zou worden gestaan bij wat ze nodig hebben en daarover doorgevraagd zou worden.
 
 

 
 
 
 
 

Nieuwsbrief in nieuw jasje

De nieuwsbrief van het consortium is vernieuwd.

Met ingang van dit nummer heeft de nieuwsbrief van het consortium een nieuw jasje. Binnenkort komt ook de website van het consortium online.
 


 

 
 
 
 
 
Privacy regelement | Cookieverklaring | Informatiebeveiligingsbeleid | Voorwaarden
 






This email was sent to <<Email Address>>
why did I get this?    unsubscribe from this list    update subscription preferences
Consortium Zwangerschap en Geboorte Noord-Nederland · Oudlaan 4 · Utrecht, Ut 3515 GA · Netherlands

Email Marketing Powered by Mailchimp